Uitwijken voor een duister, luid stuk staal

Het begin van de duisternis
Het begin van de duisternis

Op de punt van de boot tuur ik over het gitzwarte water, zoekend naar de palen waartussen de visnetten vastzitten. De laatste doemt eindelijk voor mijn ogen op. We varen er langsheen. De schipper wil vervolgens weten waar de ‘Poepende Man’ staat. Het stalen gevaarte, of kunstwerk, staat trouw op de kant waardoor we kunnen inschatten waar de ingang van het Noordgat is. Ik weet waar hij staat, maar ik zie niets in deze donkere avond. “Kan dat vriendje van jou hem niet uitlichten?” Jee, wat een goed idee. Verlichte Shit Man. 

Verlichting ervaren we niet. We zijn immers aan het zeilen en niet aan het zweven. Ik blijf op het voordek als ogen van Rik. We zijn door de eerste opening als ik het binnenvaartschip zie aanstormen. “Rik, daar in de verte komt een binnenvaartschip aan.” Hij ziet hem, alleen de dijk, laat staan de stuwdam, zie ik nog niet. Niels schijnt bij – ik moet echt mijn ogen eens testen – ik zie niets in het donker. Terwijl ik zoek, snijdt de Boekanier door het water. De vaart zit erin, de zeilen staan goed, zelfs zo goed dat de laptop aangeeft dat het ORC-percentage 110 is. We halen dus meer dan het maximale uit het schip.

“We gaan gijpen!” Zomaar, uit het niets… Het binnenvaartschip was sneller en dichterbij dan gedacht. Jeetje, wat is dat een groot, hard varend en vooral luid stuk staal. Het stuur, de giek en de fok gaan in een noodvaart om. Het volgende klapje volgt direct. Uitwijken en weer koers pakken. Op naar de finish.
“Ik zie de dam! Verder naar stuurbord, Rik!” De stuurman houdt koers. “We redden het! Meld aan de wedstrijdleiding via de marifoon dat we eraan komen.” Aye, aye. Dit was het dan. De laatste woensdagavondwedstrijd van het seizoen. De Boekanier gaat op de kant. Weemoedig pak ik de marifoon: “Geachte wedstrijdleiding van de WA-cup Lelystad Haven, de Boekanier nadert de finish voor de laatste keer. Het licht gaat uit.”